Laatst onderging de piot een sinussanering en dat werd iets heel speciaal.
Het zal niemand verbazen, en niet alleen omdat het hier al eerder te lezen was. Dat lijf als een kathedraal van mij is slechts een vage herinnering, zo het ooit bestaan heeft. Er bestaan foto’s waarop ik mezelf node herken. En het houdt niet op. De laatste jaren is mijn gebit in het beste geval een verwaarloosd kerkhof waarvan de bemoste grafzerken één voor één discreet omtuimelen, al dan niet geholpen door de vaardige handen van een tandchirurgijn. Dat klinkt in sommige oren misschien grappig, het is vooral niet plezant. En al zeker niet omdat die trend het probleemloos genieten van lekker eten – een van mijn belangrijker hobby’s – steeds moeilijker maakt. Alleen daarom al hoop ik dat een strak dentaal plan verlossing kan brengen.
Vele manen terug, meer dan men op twee handen kan tellen, kom ik na overleg met mijn getergde tandarts terecht in de behandelingsstoel van een parodontoloog. De man luistert aandachtig en geduldig naar mijn frustraties, mijn verzuchtingen en mijn wensen: ik wens geen vals gebit, ik hoef geen tandpastaglimlach en ik hoop op implantaten. Dat laatste moet kunnen, verzekert hij mij, al klinkt zijn prognose anders dan ik verwacht had: we zullen elkaar de komende jaren namelijk erg vaak zien, en niet alleen bij hole 19.
Medische beeldvorming moet de mogelijkheid op implantaten verduidelijken. En dan begint de miserie. Aan de hand van het scan-resultaat legt de tand-&kaak-specialist uit dat mijn bovenkaken mede door de chronische tandwortelontstekingen niet dik en stevig genoeg zijn om op een veilige en verantwoorde manier implantaten aan te brengen.
“Dat is op zich geen probleem. Met een sinuslift zal dat wel lukken,” zegt dokter A. als antwoord op mijn verschrikt gezicht, “Bij dergelijke ingreep plaatsen we substituut boven op het kaakbeen. ‘Bot uit een potje’, bij wijze van spreken.”
En nog is het niet gedaan. De parodontoloog haalt even diep adem en gaat verder. Op de digitale afdruk van mijn bovenkaken tekent hij behoedzaam twee virtuele cirkels: “Dit zijn je sinussen. Op de foto zien ze er beneveld uit. Dat kan wijzen op een chronische ontsteking. In dat geval kan ik geen sinuslift uitvoeren.“
Net op het moment dat ik de wereld om me heen voel instorten, besluit hij: “Ik zal je doorverwijzen naar een Neus-Keel-Oor-arts. Die zal je verder helpen. Zodra je sinussen ontstekingsvrij zijn, kunnen we een sinuslift uitvoeren en in een later stadium de implantaten aanbrengen.“
Enkele weken later bevestigt de NKO-arts na een meer uitgebreide scan van mijn hoofd de diagnose van de parodontoloog: mijn sinussen zijn chronisch ontstoken en links houdt zich vermoedelijk een (voorlopig goedaardige) poliep op. Bij een eventuele sinuslift zal die vleesuitwas de holte afsluiten waardoor mijn aanhoudende verkoudheden en neusverstoppingen alleen maar zullen verergeren. Er is slechts één behandeling mogelijk: een endoscopische sanering van beide sinussen, gevolgd door een nabehandeling met veelvuldig spoelen met een neusknijpkannetje.
Een operatie dus, en dat brengt mij van slag. De zachte stem van dokter S. stelt mij evenwel gerust. “De ingreep zelf is routine, stelt weinig voor en gebeurt in dagziekenhuis. Ik zal de ingreep zelf uitvoeren. Na afloop kan je wel veel pijn hebben. In zeer uitzonderlijke gevallen kan er ook wel eens een bloeding ontstaan. Maar dat is wel heel zeer zeldzaam.”
Een kwartier later in een ander kamertje zoek ik samen met de hoofdverpleegkundige een geschikte datum voor de sinussanering, inclusief de controle-consultaties achteraf. Daags voor de ingreep verneem ik dat ik pas na de middag aan de beurt zal zijn en eenmaal ter plaatse krijgen Mijn Groote Liefde en ik te horen dat ik als laatste ingeroosterd ben, want inhoudt dat ik pas in de late avond naar huis zal kunnen. Het belooft een lange dag te worden.
Iets na vier uur piloteren de verpleegsters van het operatiekwartier mijn bed naar de anti–chambre van de operatiezaal. Een verpleger prikt een baxter in mijn arm en de anesthesist legt uit hoe hij mij in slaap zal brengen. Tot slot komt de chirurge de procedure nog eens doornemen. Telkens besluiten de dokter, de narcotiseur en de verpleegkundige hun exposé met dezelfde mantra: “Kalm blijven. Niet paniekeren. Alles komt in orde.” Die woorden zijn totaal overbodig, want ik voel mij rustig en heb totaal geen schrik.
Dat is het zover. Mijn leger rolt het OK binnen en met wat hulp verhuis ik naar de operatietafel. Aan het uiteinde zit een ring waar mijn hoofd in past. Vervolgens pakt de verpleging mij in als een boorling. “Tot straks,” waarschuwt de anesthesist mij. Om te bewijzen dat ik een stoere kerel ben, fluister ik: “Jullie gaan dat goed doen. Tot straks.” Het volgende moment droom ik van wandelen in Les Alpilles, samen met Mijn Groote Liefde en met Magnifieke Marcel. Het voelt warm en heerlijk aan. Gelukzalig wil ik blijven verder wandelen tot het einde van de wereld, helaas lukt dat niet: “Dag meneer. De operatie is voorbij. Alles is goed verlopen.“
Zodra ik de ogen helemaal open hebt, kijk ik om me heen. In de langwerpige zaal staan meerdere bedden naast elkaar. Dit moet de befaamde recovery zijn, bedenk ik. Groene jassen lopen af en aan, alleen de hoofdkapjes verschillen van vorm en kleur. Het hoofdeinde van het bed is opgetild zodat ik half rechtop zit. Ergens ben ik een beetje kwaad omdat ze mij wakker gemaakt hebben, want al snel ik voel me niet echt toppie. Een kriebel in de keel doet mij hoesten. Onmiddellijk begint mijn neus verschrikkelijk te bloeden. Niet zo’n klein beetje, zoals die keren als kind op het voetbalveld na een stoot tegen m’n kokkerd. Hele sloten bloed, proef ik, in mijn neus, in mijn mond en in mijn keel. De verpleging probeert tevergeefs het bloeden te stelpen. Wat ze ook ondernemen, niks lukt. Om de vijf tellen stoppen ze een ander kartonnen niervormig bakje onder mijn kin. Binnen de kortste keren verdwijnt de bodem ervan onder slijm en bloed. De proppen gaas die met een pleister over mijn neusgaten zijn gekleefd, spoelen keer op keer weg.
Een duidelijk bezorgde verpleegster wijkt niet van mijn zijde en doet er alles aan om het mij zo comfortabel mogelijk te maken. “Rustig blijven meneer. We gaan goed voor u zorgen,” herhaalt zij met zachte stem. In een opwelling wenk ik haar dichterbij en fluister in haar oor: “Dat weet ik. Tijdens Corona heb ik nooit een kaars voor mijn raam gezet omdat ik weet dat jullie ALTIJD jullie stinkende best doen. Covid of niet.” “Dat is lief van u, meneer,” antwoordt zij (meen ik mij te herinneren).
Daar verschijnt opnieuw de dokter naast mij. “Blijf rustig,” zegt zij bezwerend, “We gaan proberen het bloeden te stoppen. Ik vrees dat we wieken moeten steken. Dat is zeer onaangenaam. Niet paniekeren.” Het vele bloed smoort mijn antwoord: “Okay. Ik ga rustig blijven.”
De wieken, die even beroerd aanvoelen als ze er uit zien, helpen niet. Nog steeds voel ik het bloed bij beken vloeien, iets wat de dokter ook ziet als ze met een spatel in mijn keel kijkt: “We gaan links een grotere wiek plaatsen.” Ik knik en voel hoe de stoffen koker in het linker neusgat de plaats ruimt voor een ander, groter exemplaar met aan een kant twee fijne darmpjes. Zodra de assistent de ballonnetjes aan de uiteinden van de nieuwe wiek opblaast, krijg ik geen lucht meer. Door het vele bloed voelt het aan alsof ik ga stikken.
“Zo lukt het niet,” zegt de chirurg kordaat, “Er is meer aan de hand. Meneer, we gaan je opnieuw onder narcose brengen en bekijken waar dat bloed vandaan komt. Dit is zeer uitzonderlijk. Het komt allemaal wel in orde. Er zijn geen problemen.”
Mijn begrip kan ik enkel knikkend onderstrepen. Want ik geloof dat een probleem pas een probleem is wanneer je er een probleem van maakt, maar ik krijg het niet meer gezegd. Net op dat moment zie ik halo’s verschijnen rond de lichtjes en hoofden die mij omringen. “Aha, daar komt de verdoving,” denk ik en plots zit ik in aangenaam gezelschap aan een tafel ergens in een berghut, lekkere knödelsuppe op te lepelen. Onmiddellijk daarna zie ik hoe aan mijn voeteinde een verpleegster mijn beide benen hoog houdt. Rond mijn bed staan meer vaardige handen dan ik tellen kan. Rechts van mij bengelt het hoofd van de chirurge: “Meneer, je hebt een bloeddrukval gehad.” In een flits begrijp ik dat de nieuwe ingreep om het bloeden te stoppen nog niet uitgevoerd is. Zelfs het knikken is nu moeilijk. Ik sluit de ogen en leidt uit de bewegingen af dat ik snel het OK binnenrol. En dan voel ik de nieuwe narcose toeslaan.
Opnieuw stap ik door beboste hellingen in het gezelschap van Mijn Groote Liefde en Magnifieke Marcel, maar voor ik echt kan van genieten van de wandeling, kom ik opnieuw bij bewustzijn. Tot op heden is mijn felste herinnering aan dat eigenste moment opluchting. Want direct besef ik dat het bloeden gestopt is. Ik adem vrij. Wel voelen mijn neus en mijn keel achteraan wat branderig aan, een sensatie die bij mij meestal een voorteken is van een stevige verkoudheid, maar dàt heb ik er op dat moment voor over. Het is een hemelse verademing.
De NKO-arts komt aangestapt met een telefoon in de hand: “Meneer. Ik heb met je echtgenote gebeld. Ik heb haar uitgelegd dat alles uiteindelijk goed verlopen is, maar dat je een nachtje in het ziekenhuis moet blijven.”
“Dat is goed,” kras ik met schorre stem. Het praten lukt me niet zo goed.
De dokter gaat verder: “Er was dus een bloeding. Dat is zeer uitzonderlijk. Bij de tweede ingreep hadden we die binnen de twee minuten gevonden en gestelpt. Mijn excuses daarvoor.”
Met veel moeite schud ik het hoofd: “Dat is niet erg. Daar had je mij voor gewaarschuwd. Blijkbaar ben ik dat specialleke, die ene uitzondering.” We wisselen nog een paar woorden en dan laat de dokter mij achter in de goede handen van de verpleging.
Met gesloten ogen probeer ik het branderig gevoel in mijn keel te negeren en te waarderen dat mijn neus niet meer bloedt als een lek geslagen olievat. Links en rechts hoor ik schuifelende voeten. Ik kijk rond en ontwaar een leeggelopen recovery. Alle andere patiënten zijn reeds naar hun afdeling gebracht. Opnieuw sluit ik de ogen en laat de rollercoaster van de voorbije uren opnieuw voorbij denderen.
En dan is het mijn beurt. “Dag meneer, ik ga je naar je kamer brengen.“
Ontdek meer van Rik Wintein
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.