Laatst sijpelde het laatste druppeltje onschuldig communicantjesbloed weg uit het tere hart van de piot.
Mijn Groote Liefde hanteert bij momenten een zeer kleurrijke taal, zoals dat heet. Van in de oertijd verbaast zij de piot met kreten zoals “Shit“, “Mo How” en zelfs een occasionele “Fuck“. Destijds zijn z’n gevoelige oortjes zoveel geweld niet gewoon. Toen nog niet. Het enige wat de piot daar tegenover stelt, is een zeldzame en bijgevolg welgemeende “Merde“.
Doorheen de jaren heeft Mijn Groote Liefde haar “vocabularium” nog wat uitgebreid, met smaaduitdrukkingen zoals “Hatelijk” (ook in versies met een werkwoordsvorm), “Mo Vint Toh” (in vele toonaarden en met wisselende klemtonen) en “Allez Ghow” (met een knallende, vaak bijtende ondertoon). Heden zijn het stuk voor stuk staande uitdrukkingen.
Kenners zien en voelen dat deze tweede lading verwensingen naar inhoud en vorm een heel stuk lichter en meer verteerbaar is dan haar verzamelde oerkreten. De piot denkt graag dat hij een helende hand heeft in deze zwenking, temeer daar ook het troetelnaampje voor de sukkelaar is geëvolueerd van “Kakker” tot het lieftallige “Wentaingstje“. Aan de goede verstaander om mogelijke tussenstations en varianten in te vullen. Overigens is het aantal voorvallen waarbij Mijn Groote Liefde de echte roepnaam van de piot in haar mond neemt, op één hand te tellen.
Daarnaast is het wel interessant te weten dat sinds enkele jaren het zelfvertrouwen van Mijn Groote Liefde om tal van redenen piekt, terwijl haar taal enigszins verzacht is, hoe contradictorisch dat ook mag klinken. De piot denkt dat naast zijn eigen zalvende invloed, vooral schoonheid in daad en uiterlijk van Mijn Groote Liefde doorsijpelt in haar taal.
Hij dwaalt, zo blijkt. Een samenloop van omstandigheden maakt een brutaal einde aan dit geloof.
Die zaterdag denkt de piot zich verzekerd van vredige rust in Platform 9 3/4, waar hij zich naar gewoonte heeft teruggetrokken met een verlangend oog op creatieve schrijvelarij. Op het gelijkvloers rond Mijn Groote Liefde een huisschildersklusje af. Na afloop spoelt zij de strijk- en rolborstels rijkelijk uit, om ze daarna met plastiekfolie in te pakken.
Tijdens de transfer van het schildersgerei naar de berging vindt een gruwelijk incident plaats. De ingepakte spulletjes lekken hevig, met grote witte waterachtige spatten om de recent gestoomreinigde vloeren en parket. Twee hoog ontsnapt de piot niet aan de bijhorende klankband. De ijselijke kreet van Mijn Groote Liefde scheurt door merg en been. Haar woorden knallen met de intensiteit van een trefzekere pijpbom elke passie en sereniteit naar de verdoemenis.
“Fuckin’ Hell“.
In vroegere dagen zou de piot ijlings de trap zijn afgestemd. Nu weet hij beter. Geduldig wacht hij de vervolggeluiden af om in te schatten of zijn aanwezigheid gewenst, dan wel aangewezen is. Het aanhoudend gestommel en gemopper drijven hem uiteindelijk naar beneden, waar hij zich enkel kan beperken tot troostende woorden.
“Dat is toch niet erg. In het slechtste geval moet je nogmaals de stoomreiniger boven halen.“
Dat is op zich een gedurfde uitspraak die niet zonder gevaar is. Gelukkig laten de vlekken zich inderdaad moeiteloos wegpoetsen. De piot haalt opgelucht adem. De dreiging van het opgeroepen inferno is afgeslagen, andermaal.
Ontdek meer van Rik Wintein
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.