Laatst durfde de piot amper zijn gedachten uitspreken.
Tijdens een zeldzaam avondje uit in het concertgebouw, treffen de troepen van de Via Prosperità kwansuis een peloton uit een gelieerde divisie. Het is de piot die hen het eerst opmerkt. Voorzichtig pookt hij Mijn Groote Liefde en wijst op een koppel laatkomers die een rij voor hen hun plaats zoekt: “Kijk! Die daar gelijkt precies op je neef.” Het ís haar neef. Na een korte begroeting waarbij de Latina nog net kan meegeven dat haar zus violiste is in het orkest, doven de zaallichten en weerklinken de eerste tonen van de Ouverture van de Zauberflöte.
Onder de pauze treft de Via Prosperità en de Mellenaars elkaar in de foyer, aan de bar. Zoals gebruikelijk verloopt de communicatie in een gezonde mix van Nederlands, Engels en Spaans, naargelang de spreker. Al snel moet de piot bekennen dat zijn kennis van de Iberische taal niet zozeer roestig, dan wel verwelkt is tot een antarctisch niveau. De gezellige babbel doet naar meer verlangen en na het eindapplaus trekt het viertal op zoek naar een gezellige kroeg.
Aan het bruine tafeltje fladderen de gesprekken alle richtingen uit. Hoe de piot eraan denkt zijn cursussen Spaans herop te nemen en verder door te zetten, met het oog op een nieuwe motorreis van de Via Prosperità naar Andaloesië, waarbij de Latina hem onmiddellijk op de vingers tikt: “Andalusía“. Hoe het gesteld is met Junior en Het Studentje. Hoe hun dochtertje Leah vanavond bij Bomma T. logeert en hoe de kleuter hartverscheurend heeft geweend bij het afscheid.
Af en toe ratelt de Latina in het Spaans tegen haar echtgenote om een thema, onderwerp of thema te duiden, die zij niet of moeilijk in het Engels of het Nederlands onder woorden krijgt. Hier en daar vangt de piot een zinsnede of een begrip op, maar meestal gaat in zijn oren de essentie van de boodschap verloren.
Na enkele drankjes (wijn en bier voor de heren, warme chocolade voor de dames) laat Morpheus zijn lokroep weerklinken en trekt de colonne naar de ondergrondse garage waar de marswegen divergeren. De piot geeft vrijwillig en met graagte de autosleutels af aan Mijn Groote Liefde. Enerzijds heeft hij enkele glazen (voortreffelijke) wijn op waardoor hij beter niet met de wagen rijdt. Anderzijds is het veilig: hij weet dat hij na het nuttigen van enkele glazen (voortreffelijke) wijn nauwelijks iets merkt van haar Style Parisienne achter het stuurwiel.
Even later in de leger van de Via Prosperità heeft Mijn Groote Liefde nog een importante mededeling: “Als de Latina iets tegen mijn neef zegt, is dat altijd nogal dwingend, vind ik. Vind je dat ook niet?“
De piot houdt zich stil want hij weet niet hoe te reageren. Het is een openingszet waartegenover hij niet onmiddellijk een veilig antwoord weet te verzinnen. Het angstzweet breekt hem uit. Zonder dat hij er veel moeite voor moet doen, denkt de sukkelaar aan de vele marsbevelen, imperiale instructies en andere onbetwistbaar goedbedoelde commando’s, die dagelijks zijn richting uit komen.
Zo is bijvoorbeeld het autorijden met Mijn Groote Liefde in de passagierszetel synoniem voor een schier ononderbroken stroom aan opmerkingen en waarschuwingen – “Fèche! Pas op voor die auto! Daar: voetgangers aan het zebrapad! Je moet hier naar links/rechts!” – niet zelden uitgesproken op het moment dat de piot een noodzakelijk maneuver reeds heeft ingezet. Bovendien lijken daarbij de fouten en de overtredingen van andere weggebruikers steeds op conto van de sukkelaar te komen.
“Ewel? Vind je dat ook niet?” doorbreekt Mijn Groote Liefde de geladen stilte die de intense gedachtestroom van de piot baart, “Ze komt echt dwingend over. Hoe zou jij reageren als ik zo tegen jou zou praten?“
Langer zwijgen is geen optie, beseft de piot, dus steekt hij voorzichtig van wal: “Ik vind dat niet. Ik denk dat het eerder haar typisch Latijnse manier van communiceren is.” Hij voelt hoe de ogen van Mijn Groote Liefde zich vasthaken in zijn nekharen en besluit een allesbeslissende eindspurt in te zetten: “Het stoort me niet. Misschien ben ik het wel gewoon om op zo’n manier aangesproken te worden.” De sukkelaar schrikt zelf van zijn durf. Misschien is dit nog de nawerking van die enkele glazen (voortreffelijke) wijn, denkt hij.
De repliek van Mijn Groote Liefde is kort maar krachtig.
Gelukkig staat er in de logeerkamer altijd een bed klaar. (*)
(*) Aldus gesommeerd door Mijn Groote Liefde verklaar ik hierbij dat deze laatste zin verzonnen is.
Ontdek meer van Rik Wintein
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.