Ruis

Laatst kwam de piot in een parallel universum tot een verrassende vaststelling.

Het vergt enig gepuzzel met afspraken, toezeggingen en andere verplichtingen, vooraleer de piot tijdig naar de Fiere Stede kan sporen voor een fel verlangd uitstapje met een cultureel randje. Op de agenda prijkt een bezoek aan de Expo Paul Delvaux (Les Mondes de Paul Delvaux/Paul Delvaux en zijn Universum) in Museum La Boverie. Aanzienlijk later dan aangegeven op het online aangeschafte ticket met QR-code, biedt de piot zich aan bij de toegangscontrole. De zaalwachter maakt helemaal geen bezwaar tegen zijn laattijdigheid. Het is ook mogelijk dat het gereserveerde instap-uur niet verschijnt op de display van zijn handscanner.

De tentoonstelling biedt wat zij belooft. Het heeft iets magisch te dwalen tussen het meesterlijk en veelzijdig oeuvre, geboren uit het penseel, de stift of ander schertsmateriaal van de meester kunstenaar. De expo is reizen doorheen verschillende periodes en stijlen in het werk van Paul Delvaux, ter vergelijking aangevuld met enkele gelijkaardige kunstwerken van tijdsgenoten, vaak met hetzelfde thema of naar dezelfde inspiratie. Enkele videoprojecties en -installaties maken het geheel nog aantrekkelijker, evenals de aanwezige schetsboeken en verhelderende studies.

De piot ademt, snuift, kijkt en droomt. En hij is niet alleen. Het publiek kleurt grijs, en niet zozeer qua kledij. Het grootste deel van de aanwezigen is ouder dan de piot, ook al weet de sukkelaar uit ervaring dat hij maar beter oppast met dergelijke specifieke kwalificatie.

Vrij snel proeft de piot dat zijn benadering niet spoort met dat van de meeste andere bezoekers. Waar de sukkelaar bij dergelijke gelegenheden zich het liefst in stilte onderdompelt in het universum van de kunstenaar, mikken – helaas voor hem – veel medebezoekers op een andere exploratie van de expo. Meer dan eens geniet de sukkelaar van de overweldigende impact van een schilderij, wanneer naast hem een opdringerige stem (meestal in het Vlaams) het betreffende werk becommentarieert en daarbij niet zelden de bijhorende legenda deels tegenspreekt. In welke omstandigheden en hoedanigheid dan ook, de piot heeft geen boodschap aan een hardop uitgesproken soi-disant analyse over “horizontale lijnen in een lichtere tint dan de eerder donkere verticaal convergerende lijnen die samen een spanningsveld creëren, binnen een kader met hedendaagse elementen in contrast met een achtergrond die verwijst naar de Griekse oudheid“. Of iets in dien aard.

De piot vindt het werk van Paul Delvaux mooi, intrigerend en intrigerend mooi. Punt. Al de rest raakt zijn figuurlijk naakte lijf niet.

Net terwijl de sukkelaar begint na te denken over de sensatie “omringd zijn door hyperberoemde kunstwerken“, verstoort nog een ander fenomeen zijn beleving. Ontelbare soi-disant fotografen schieten plaatjes van menig kunstwerk en de bijhorende legenda’s, met pocket-camera’s en soms met reflex-toestellen, maar toch vooral met (godbetert) smartpheuns. De piot snapt aan geen kanten het waarom van dergelijke actie. Alle schilderijen en de bijhorende uitleg zijn ook terug te vinden in kunstboeken en catalogi (in de inkomhal van de expo kan men er eentje kopen) en op het internet, telkens zelfs uitgebreider en – wat de afbeeldingen van de werken betreft – in een superieure kwaliteit. Wat is dan het mogelijke nut of meerwaarde van dergelijk privé-overzicht? Een bewijs dat ze de tentoonstelling bezocht hebben? Een troef om uit te spelen aan de wekelijkse kaart- en koffietafel? Een andere vorm van zelfbevestiging?

De piot moet toch even nadenken over dit alles.

Op de Intercity die hem terug naar Bryggia brengt, ziet de sukkelaar het licht. Het zit hem allemaal in de benadering van het fenomeen “kunst“. In tegenstelling tot de meeste andere bezoekers, gaat de piot níet naar een tentoonstelling om kunst te bekijken, te bestuderen en te analyseren. Naar zijn bescheiden mening kan hij dat evengoed en veel goedkoper doen vanuit zijn gerieflijke fauteuil met een boek of een tablet op zijn schoot. Zijn betrachtingen liggen op een heel ander terrein.

Ongeacht de exposities tracht hij telkens weer een connectie te smeden met de ziel van de kunstenaar en zijn oeuvre. Hij probeert de sfeer en de uitstraling van de werken te ondergaan en koestert daarbij het delicate besef te vertoeven in de nabijheid van uniek, onovertroffen en exceptioneel werk. Dat schept een schier fysieke band. Dat die verbinding à la limite enkel in zijn hoofd bestaat, maakt het voor hem niet minder echt of waar, integendeel. De luidruchtige aanwezigheid van zelfverklaarde kunstexperts en -fotografen veroorzaakt enkel ruis op deze beleving. Dat gedoe maakt hem bij momenten kregelig en opstandig, want dan op zijn beurt nefast is voor zijn eigen, individuele perceptie van een tentoonstelling en de aanwezige werken.

De piot vraagt zich af of hij de enige is met zo’n doorleefde kronkel in het hoofd. Hij hoopt van niet. Hij denkt van niet.


Ontdek meer van Rik Wintein

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.