Laatst ontlokte een reclamezuil bij de piot een redelijk pertinente vraag.
Een stoplicht brengt de automobiel genaamd De Commandeur tot stilstand. Zoals dat gaat kijkt de piot met de handen losjes op het stuur achteloos opzij naar het cultureel centrum links van hem, dat sinds mensenheugenis aan het kruispunt een plaatsje heeft tussen het ondertussen leegstaand schooltje annex parochiezaal en de kerk. De piot kent het stadsgebouw met een theaterzaaltje, een bibliotheek en de obligate polyvalente ruimte. Ook de forse publiciteitszuil voor de ingang is hem niet vreemd. Die stond er reeds toen hij als puber met de fiets en eenmalig ook met een snorfiets voorbij ijlde op weg naar de half verboden geneugten van de binnenstad. Dat doet de sukkelaar even wegdromen. Over hoe hij dacht dat hij een bad boy was maar uiteindelijk geen idee had hoe het er in een echte grootstad aan toe ging. Eventjes moet hij smakelijk lachen om zoveel naïveteit destijds, een geesteshouding die hem decennia lang heeft achtervolgd.
Uit de nevelen van zijn herinneringen duikt een beeld op dat niet klopt met wat hij vandaag ziet: de reclamezuil ziet er helemaal anders uit dan dat zijn geheugen destijds registreerde. De plechtige aankondigingen voor theater, klassieke concerten en andere ernstige schouwspelen, hebben schier integraal plaats geruimd voor meer luchtiger culturele evenementen. Naast de gebruikelijke muziek- en toneelopvoeringen, springen vooral aankondigingen voor Stand-up Comedy in het oog. De zuil is voor meer dan de helft volgeplakt met de gezichten en namen van de betere Vlaamse grapjurken van allerlei kunnen en afkomst.
Terwijl het groene licht hem aanmaant om zijn automobiel opnieuw in beweging te zetten, zet de sukkelaar die arme hersenen van hem aan het werk, nieuwsgierig als hij is naar het waarom van die veranderingen. Nu weet de piot als geen ander dat niets altijd hetzelfde blijft, en dat verandering inherent is aan het leven, de samenleving en de maatschappij. Uiteindelijk interesseert hij zich buitenmatig in de achterliggende krachten en structuren.
Al heel snel komt de piot uit op een aantal kwesties, zoals daar zijn “Waarom zijn er nu meer comedyshows dan pakweg een halve eeuw geleden?” tot “Hebben ze het laatste decennium een paar blikken comedians opengetrokken?“, om uiteindelijk te landen op de vraag: “Hebben de mensen vandaag meer nood aan lachvoorstellingen dan destijds?” Dat laatste betwijfelt hij: sinds jaar en dag trekken tijdens vakantieperiodes en feestdagen variétévoorstellingen, revues en andere cabarettoestanden meer dan een handvol mensen naar locatie variëren van parochiezalen over feesttenten tot theaterinstituten. Stand-up comedy als escapisme voor groeiend trieste tijden heeft er mogelijks misschien iets mee te maken, het kan alvast niet de doorslaggevende oorzaak zijn, denkt en hoopt de piot. Want ook in het verleden waren het niet altijd zo’n vrolijke tijden.
Eén iets weet de piot wel heel erg zeker. Het doet er niet toe of de mens nu meer of minder, beter of slechter, schoner of lelijker lacht. Zolang hij kan en mag lachen, grappen en grollen verzinnen en onnozelheden spuiten, is er niets aan de hand, wat ook de situatie of achtergrond mag zijn. Want hoe je het ook draait of keert: lachen is niet om mee te lachen.
Heeft er nog iemand een bulderlach op overschot? Het mag versleten zijn tot een monkellachje.
Ontdek meer van Rik Wintein
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.