Laatst had de piot huiswerk.
Zoals de meesten wel weten volgt de piot een schrijfcursus bij de befaamde auteur Marieke De Maré. Haar opdrachten zijn voor de sukkelaar telkens weer een confrontatie met hoe gebrekkig zijn eigen pen is. Sommige sessies zijn heerlijk spelen met woorden en zinnen, andere zijn heel strikt.
Ook ditmaal is de instructie zeer duidelijk: ‘We werken dit keer 3 weken aan een tekst. Waarover gaat de tekst: over een ontmoeting met iemand. (mag fictie zijn, een ontmoeting is niet hetzelfde als een kortverhaal waarbij de nadruk ligt op ‘een verhaal’), bij een ontmoeting raak je iets aan, geef je een gedachte weer, kan je bv. adhv een vrouw op een bank denken aan je kindertijd, perspectief zelf te kiezen, maar ik-persoon werkt heel goed voor korte teksten, denk ook aan de tijd waarin je schrijft (tegenwoordige tijd iets gemakkelijker, actiever voor korte tekst). Je schrijft de tekst op maximum 4 A5’jes, lettergrootte 12 punt.‘
De piot is in zijn nopjes. Een korte schets, beknopt en intens, en dan 3 weken lang eraan sleutelen: dat is voor hem het Walhalla. Hij vliegt er onmiddellijk in en gaat er thuis mee verder. Hij schrijft en herschrijft, schrapt en herwerkt. Uiteindelijk meent hij een aanvaardbare versie klaar te hebben om voor te leggen aan de schrijfjuf. Na haar eerlijke, vriendelijke en kordate feedback voelt de sukkelaar zich een platgetrapte, overrijpe vijg. Hoewel, de wetenschap dat elke letter, elk woord, elke bemerking van haar commentaar gegrond en goed doordacht is, tempert zijn schrijversverdriet. Zijn hart blijft pompen. Opnieuw haalt hij de schaar en de lijmpot, de vijl en de uitdeukhamer boven, en gaat aan de slag met alle opmerkingen, suggesties en kanttekeningen, ook die van zijn medeleerlingen. Op de aldus andermaal doorwrochte tekst gooit de schrijfjuf hem opnieuw een paar voetnoten toe, en herhaalt haar voornaamste advies: ‘Show. Don’t tell‘. Het is een terugkerende tip die de piot graag ter harte neemt, hoezeer hij ook worstelt met de uitvoering ervan.
Hoe dan ook: de piot is tevreden over zijn tekst. En nog meer over zijn beslissing om schrijfles te volgen. Lees en oordeel.
Medereiziger
Eigenlijk is het een vitrine van niks.
Waar het winkeltje voor staat, kan ik niet onmiddellijk zien. Bovenaan het uitstalraam verklappen sierlijke, in een boog geschilderde letters met een gouden schaduw een naam. ‘Bij Josefien’.
Slordig gestapeld vaatwerk, een forse trommel waspoeder ‘wast witter dan wit’, een sierlijke fles gifgroene detergent en een bus schuurpoeder netjes naast elkaar, een stoet flesjes frisdrank van verschillende merken en smaken, een eenzaam luciferdoosje zo weggelopen uit ‘la belle époque’, drie rollen ronde beschuiten cellofaan verpakt, een aangebroken karton zeepblokjes, een bakje met twee vleestomaten, een courgette en drie uien, een vergeeld kartonnen display met een paar resterende tubes kleefpasta voor kunstgebitten, en helemaal rechts in de hoek een stapeltje keukenhanddoeken.
In de reflectie van de vitrine voor mij verschijnt een man.
‘Wat is dit,’ vraag ik hem, ergens tussen fluisteren en luidop praten.
‘Dit is de winkel van Josefien,’ hoor ik hem teder prevelen.
‘De winkel van Josefien,’ zeg ik hardop.
De zeep in de etalage is ‘Sunlight’, het geliefde merk van mijn grootmoeder zaliger, maar dat weet de man wel. Ik tel tot tien.
‘Hier kocht ik als kleine jongen elke zaterdagmiddag een zakje snoep met de cent die ik kreeg van bompa,’ hoor ik naast me.
‘Mooi,’ zeg ik en tel tot drie: ‘Mijn Josefien heette Lisbeth. En op woensdagmiddag kreeg ik ook een cent. Van mémé.’
Ergens rinkelt een schoolbel. Op straat overwint een wagen de kasseien.
‘Memories,’ grinnikt de man – in mijn hoofd noem ik hem Wim. ‘De speelplaats van mijn dorpsschool was groter dan de zes langsliggende klaslokalen. Tijdens de pauze speelden de grote jongens altijd tikkertje.’
Ergens achterin de winkel van Josefien gaat een deur open.
‘De spelers verdeelden zich in twee groepen, twee kampen, elk aan een korte zijde van de speelplaats. De bedoeling was de overzijde te bereiken, zonder dat je aangetikt werd door een tegenspeler die zijn kamp later dan jij verlaten had. Wie de overkant bereikte zonder aangetikt te zijn, kreeg een punt. Zoals altijd won op het einde de ploeg met de meeste punten.’
‘Dat spel herinner ik mij,’ zeg ik, ‘Ingewikkeld. Een hele organisatie. Men zou denken: moeilijk te beheren, te beheersen en te controleren.’
Ik voel de man de schouders ophalen: ‘Dat was het niet. Geen scheidsrechters. Geen gedoe. Geen woorden. Wel veel lopen en roepen en lachen. Plezier om niets. En tegelijk om heel veel.’
‘Dat waren andere, mooiere tijden, die voorgoed voorbij zijn,’ droom ik. ‘Wat is er fout gegaan?’
‘Er is niets fout gegaan,’ zegt de man kortaf. De deur achterin de winkel slaat dicht. ‘De tijden zijn wat ze waren. Het heden maakt hen tot verleden.’
Ik tel opnieuw tot tien. Het blijft stil, dus vraag ik: ‘Vind je dat niet spijtig? Ik bedoel: heb je dan nergens spijt van?’
In de weerspiegeling van de vitrine staart de zogenaamde Wim – of zou het Theo zijn? – me doordringend aan: ‘Tijd slijpt spijt tot pijn.’
Ik gooi een reddingsboei uit: ‘Dat is mooi gezegd. Ben je een schrijver? Een dichter?’
‘Die woorden zijn niet van mij. Het is een quote die ik ergens las. Ik ben maar een prutser.’ In mijn hoofd hoor ik Theo’s woorden weerkaatsen nog voor hij ze uitspreekt: ‘Waarom zou ik spijt hebben. Het verleden bracht me waar ik vandaag sta.’
Ik knik. Theo, Wim of hoe hij ook mag heten, glimlacht: ‘Mocht één iets in het verleden anders zijn verlopen, had ik jou nooit hier en nu ontmoet. En dacht ik niet aan bompa, aan de zaterdagse cent en aan de speelplaats.’
‘En aan mémé.’
Ergens in de winkel knipt iemand het licht uit. De reflectie van mijn medereiziger verdwijnt.
Ontdek meer van Rik Wintein
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.