Achterdeur

Laatst verraste een pertinente, edoch goed bedoelde vraag de piot.

Tijdens de donkere jaargetijden kan de mensheid desgewenst de piot bijna maandelijks aantreffen achter een micro op Weerwoord Woord, een platform dat een podium biedt aan nieuwe stemmen. Met schuchter enthousiasme brengt hij als Open Mic’er speciaal voor het event gebrouwen woord- en zin-constructies, gedachten verpakt in lyrisch proza of in – godbetert – een gedicht.

Voor aanvang van het event horen kandidaat-voordragers zich kenbaar te maken bij een aangewezen contactpersoon of host. Doorgaans noteert die de naam van de deelnemer, het onderwerp of titel van de bijdrage en soms ook de duur van het werkstuk.

Ditmaal verloopt de aanmeldingsprocedure schijnbaar gelijkaardig, maar tegelijk helemaal anders. Voor het eerst peilt de verantwoordelijke naar de social media-accounts van de deelnemers. De piot vindt dit best wel goed, want doorgaans dropt hij zijn andere schrijfsels (eigenlijk ál zijn pennenvruchten) gretig op het smoelenboek en aanverwanten. Elke vorm van publiciteit omarmt de sukkelaar teder.

Een jonge vrouw voert de administratie van de avond en met een notaboekje in aanslag kijkt zij de piot vragend aan: “Wat is je voornaamwoord?” De piot is eventjes het noorden kwijt? “Pardon?“, stamelt hij. “Wat is je pronoun?” polst zij opnieuw. De sukkelaar verstaat haar verkeerd en repliceert aarzelend: “Rik!“.

Onmiddellijk weet hij dat dit een fout antwoord is. “Nee, dat bedoel ik niet,” is de respons, “Ik bedoel: hoe wil je aangesproken worden?” De piot lacht (eerder gemeen) en stelt totaal naast de kwestie: “Zoals je het zelf wilt. Het maakt niks uit. Het is allemaal goed voor mij.” Maar de dame in kwestie houdt voet bij stuk: “Is het hij, zij, het, he, she, them…? Hoe identificeer je jezelf? Hoe wil je aangesproken worden?

Ruiterlijk laat gaat er bij de piot een flauw lichtje flikkeren. Even is hij in de verleiding om te antwoorden: “Als een achterdeur…“, maar hij kan zich tijdig bedwingen en zegt: “HIJ“. Voor alle zekerheid voegt hij er snel aan toe: “Uiteindelijk maakt het voor mij allemaal niks uit.” Voor de jonge vrouw wel, zegt zij met meer woorden, terwijl ze vlijtig het eenduidig antwoord noteert.

De piot liegt niet: het maakt voor hem allemaal niks uit. In de prehistorie waaruit hij stamt, waren dergelijke zaken (nog) niet aan de orde. Hoogstwaarschijnlijk was de samenleving destijds op veel terreinen niet zozeer simpeler, ook eerder gevoelloos, denkt de piot. Of beter: streng gepolariseerd, maar dan op een heel andere manier dan tegenwoordig het geval is. Er was ja of nee, voor of tegen, rood of blauw, man of vrouw. Behalve een handvol knappe koppen had niemand tijd, goesting of energie om zich met subtiele nuances bezig te houden. En ergens had men ook niet die luxe.

Vandaag weten we dat er zich tussen “HIER” en “DAAR” een heel universum schuil houdt. Met genderidentiteit is het net zo. En door de toegenomen mondigheid en expressiemogelijkheden, heeft de maatschappij het geweten. Alleen daarom is het niet altijd honderd procent veilig of aangewezen om door een moderne bril naar het verleden te kijken. Hoewel: feiten zijn altijd feiten en fouten zijn meestal fout (hoewel over dat laatste ook wel een boek te schrijven is).

Voor de piot mag iedereen zichzelf eender welk “pronoun” toe-eigenen, zolang de proclamatie niet gepaard gaat met onrealistische verwachtingen, want dat leidt tot onproductieve en zelf onhandelbare situaties. Iedereen mag zijn wie of wat hij, zij of het wil zijn, zolang het redelijk, menselijk en redelijk menselijk is. Althans, dat denkt de piot, en hij hoopt vurig dat niemand die houding bedreigend vindt, want dat is het niet. Het is enkel een mening.


Ontdek meer van Rik Wintein

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.