Goed doen/zijn/voelen

Laatst vergleed de piot in een fundamentele onzekerheid.

Na een praktisch bezoekje aan de binnenstad wacht de piot op zijn bus – de nummer vier – die hem brengt tot in de onmiddellijke nabijheid van de Via Prosperità. Op het belendende perron stopt nummer drie. Een man met een witte wandelstok en een geleidehond stapt vooraan uit. Op het plaveisel draait de blinde zich nog even om, wisselt een paar woorden met de buschauffeur en tast zich vervolgens een weg naar de opstapplaats van de piot.

Net onder de kap van het perron verheft hij zijn stem: ‘Is dit perron 2? Kan iemand mij zeggen wanneer de vijf komt? De bus naar SM?

De enige die reageert is zijn geleidehond. De beige labrador vleit zich lui neer naast zijn linkervoet.

Een tel later staat de piot op van de harde, metalen zitbank en zet de zeven stappen in zijn richting: ‘Ja, je staat hier op het juiste perron. Ik zal je wel zeggen wanneer je bus er is.

Dank je wel meneer.

Waar ga je heen?‘ vraagt de piot voor alle zekerheid op zijn typische, onduidelijke manier.

Niet geheel onverwacht begrijpt de blinde hem verkeerd: ‘Naar SM en ik heb de vijf nodig.

Neen. Ik bedoel: welke stopplaats?

Aha,‘ zegt de man, ‘Ik wil met de vijf naar stopplaats KB. Daar moet ik heen.’

Ondertussen komt de vier aan het perron en de vrouwelijke chauffeur houdt zodanig halt dat de opstap pal voor de blinde man is. Net voor de deur open gaat maakt de piot een afwijzend gebaar. De dame knikt en rijdt vervolgens naar het uiteinde van het perron, zoals het hoort. De wijkgenoten van de piot stappen op en het voertuig vertrekt. De sukkelaar onderdrukt de neiging om ‘zijn bus‘ uit te wuiven.

Even later komt de vijf. De piot maakt het universele gebaar voor een halte-aanvraag maar de chauffeur negeert hem en rijdt door naar het verste eind van het perron, naar de eigenlijke stopplaats. De piot meldt de blinde dat zijn bus er is, maar dat het een relatief eind stappen is naar de opstap. Niet geheel onverwacht vraagt de man: ‘Kan je mij je linker elleboog geven?

Samen stappen zij naar de geopende deur. ‘Hier moet je opstappen,‘ dirigeert de piot en zegt vervolgens tegen de chauffeur: ‘Meneer moet naar KB.‘ De deuren gaan dicht en de vijf vertrekt.

Doordat hijzelf zijn bus gemist heeft, moet de piot nu minstens 20 minuten wachten op de volgende vier. Plots ziet hij op het belendende perron de een aanschuiven, de bus die ook als avondlijn rijdt. In die hoedanigheid neemt de sukkelaar hem vaak omdat die een stopplaats heeft op redelijke wandelafstand van de Via Prosperità. De sukkelaar trekt een sprintje.

Eenmaal op de bus slaat bij de piot de verwarring toe.

Op deze wijze een blinde helpen en bijstaan, is ondubbelzinnig een zogenaamde ‘goede daad‘. Maar telkens weer vraagt de piot zich af waarom hij dat doet. Vooral omdat het hem vaak tijd en moeite kost. Doet hij het omdat hij en de zijnen vinden dat het zo hoort? Of doet hij het omdat het hem onderdompelt in een deugddoende roes? Stelt hij een goede daad uit altruïsme (omdat het een goede daad is), of uit egoïsme (omdat het hem een goed gevoel schenkt). Doet hij goed omdat het kan, mag of moet? Het is een van die vraagstukken die de sukkelaar keer op keer richting koppijn stuurt.

Uit veiligheidsoverwegingen besluit de piot ook nu weer: het is een beetje van alle twee.


Ontdek meer van Rik Wintein

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.