Abu Hamid

Laatst was mijn Slechte Ik weer eens stout. Hij joeg een paar keurige hoogbejaarden de stuipen op het lijf. Gelukkig zonder erg.

Aan de ontbijttafel vaardigt Mijn Groote Liefde een marsbevel uit: het containerpark is mijn doel. Drie manden boordevol snoeisel moeten nodig leeg want vandaag gaat Zij de voortuin onder handen nemen. Op het manifest prijkt ook de ondertussen flink verdorde sierspar van de vorige winterzonnewende.

De achterbank van de Blauwe Cavia gaat neer en een zeil komt erin om het interieur naar bestvermogen te beschermen. Met de korven en de bruine kerstboom geurt het wagentje behoorlijk vol.

Zo net na openingstijd is het nog behoorlijk rustig in het containerpark: geen stress aan de check-in, geen haastige chauffeurs die de richtingsborden negeren, geen balorige groene-jongens-tegen-wil-en-dank die de doorgangen belemmeren.

Er is nog plaats zat bij het groenafval. De Blauwe Cavia schuift achterwaarts tussen een aanhangwagen gesneuveld bamboe en een grijs onopvallend wagentje. Bij dat laatste tilt een hoogbejaard koppel zich suf aan een handvol bescheiden groenkorven. Met gebundelde krachten slagen zij er nauwelijks in een juten zakje volgepropt met dorre bladeren over de rand van de container te tillen. Het uitschudden is een heikele onderneming, de vele aanwijzingen van de man ten spijt.

De Blauwe Cavia is verlost van de lading tuinafval en het grijze koppel heeft amper één recipiënt kunnen ledigen. Mijn hart breekt. Doof voor elk protest neem ik het van hen over en schud alle zakjes leeg.

“Oh,” kirt het gerimpeld dametje. “Ha,” zucht de grijze man. “Zo zie je maar dat er nog goede mensen in de wereld zijn. Niet alles is slecht. Vriendelijk bedankt voor je helpende hand.”

“Geen dank”, antwoord ik oprecht. In een ingeving leg ik mijn rechterhand op het hart en buig het hoofd: “Mijn naam is Abu Hamid. De Koran gebiedt mij ouderen met respect te behandelen en hen te helpen waar ik kan.”

De dame schrikt zichtbaar. Ze trippelt naar de wagen, neemt haar handtas van de passagierszetel en trekt die voor haar borst. De man kijkt me ongelovig aan: “Tsja… Als je het zegt…”

Vervolgens wens ik het verbouwereerd stel nog een prettige dag, stap in de Blauwe Cavia en rijd weg. Bij aankomst in de Rue du Bonheur is mijn brede monkel-glimlach nog lang niet weggesmolten.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.