Teutoonse camouflage

Laatst raakte ik ongewild verzeild in een redelijk bitsig gesprek over de verschillen tussen Duitsland en Frankrijk.

Aan de andere kant van de ontbijttafel klinkt het heel pendant: het Teutoons territorium (Lebensraum?) is superieur aan de rest van het Europa (en bij uitbreiding de wereld), mede door de “Deutsche Gemütlichkeit“. Gallische wegen en dorpen zijn leeg en doods, en missen de gezelligheid van enige StubeKneipe of Konditorei die op het Germaanse platteland wel te vinden zijn. Aldus luidt het zonder ruimte voor tegenspraak en onderstreept met de correct Germaans uitspraak en bijhorende stelligheid.

Die forse stellingname doet me schrikken en ik weet niet meteen een repliek.

Want in tegenstelling tot wat mijn gesprekspartner suggereert kent het Franse platteland wél een bruisend sociaal leven, alleen uit het zich niet in de aanwezigheid van met klatergoud opgesmukte terrassen en vitrines. Uit ervaring weet ik dat men in die streken elkaar thuis opzoekt. En wanneer de huiskamer of de tuin het niet meer houdt, vinden gelijkgestemden elkaar in goed verscholen achterzaaltjes of een minzame bar-tabac.

Wat maakt dat de ene cultuur meer dan de andere behoefte heeft aan georganiseerde gezelligheid? Van waar de nood om dat samenzijn uitvoerig te etaleren? Wat zeg dat alles over Den Mensch en zijn ingesteldheid? Wat zegt dat over zijn houding tegenover zijn omgeving en de rest van de wereld? Of is de aard van het sociaal weefsel simpelweg een cultureel gegeven?

Over dat alles moet ik toch even nadenken.

De schoonheid van een land staat en valt niet met de aanwezigheid van uitbundige kruidenierswinkels of frivole tavernes, hoe intens de tierlantijntjes ook mogen zijn. De gebruikelijke aantrekkingskracht van eender welk terroir – en het bijhorende cultureel elan en erfgoed – drijft op de oprechtheid en de culturele inborst van zijn bewoners.

De sociale empathie die via de achterdeur haar weg vindt naar de achterkeuken of zelfs de Zondagse Kamer van Marie, heeft een andere intensiteit dan de kroegen-camaraderie. Het is anders edoch daarom niet beter, denk ik.

Wat Den Mensch thuis mist en ook niet vindt bij buren en kennissen, gaat hij zoeken in de schaduw van een bierpul. En dan is de Teutoonse Stube inderdaad voor velen een zalvend medicijn om een egocentrische en latent eenzaam bestaan dragelijk te maken. Elke behoefte creëert middelen en mogelijkheden. Het klatergoud lijkt de perfecte camouflage voor een gebrek aan sociale empathie. Ik weet het: het is kort door de bocht, maar naar mijn aanvoelen komt het daar op neer.

Eerder dan de oppervlakkig camaraderie gaat mijn voorkeur naar de huiselijke gezelligheid van de achterkeuken. Het is echter, het is oprechter. Doodse straten in gehuchten en gemeenten neem ik er met alle plezier bij. Dat anderen het liever anders hebben – om welke reden dan ook – is hun goed recht. Alleen heb ik het niet voor het zelfzuchtig odeurtje dat er bij hoort.

Ben ik daarom een kniesoor?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.