Eelt

Laatst stelde de piot vast dat zijn taal veranderd is.

Bij het op bevel opruimen van zijn schrijfhok (de zolderkamer genaamd Perron 9 3/4) stoot de piot af en toe op hiërogliefen uit zijn prehistorie. Zelden kan hij weerstaan aan de verleiding om die oude kronieken te ontcijferen en in perspectief te lezen. Dat is niet altijd eenvoudig. Soms is de context als suikerspin opgelost in de stroom van de vliedende tijd. Af en toe dobberen havens voorbij die de piot liever permanent vergeet. Onveranderlijk is elk woord een leermoment.

Tijdens die ontdekkingsreizen proeft de piot geregeld subtiele veranderingen in zijn vocabulaire. En hij bedenkt dat wat geldt voor geschreven zinnen, ongetwijfeld ook waar is voor het gesproken woord. Nu weet de sukkelaar wel dat taal een levend ding is. Woorden komen en woorden gaan, als ballonnen in de wind: enkel die met voldoende ballast blijven rondhangen. Dat geldt heel zeker voor dialectwoorden, voorwaar een uitstervend ras, maar al evenzeer voor zogenaamde AN-containers (voorheen ABN, in en tijd toen ‘beschaafd‘ nog een heel apart begrip was).

De piot heeft het moeilijk om zomaar op commando van de vulpen ‘oude‘ woorden en gezegden voor de geest te halen. ‘Gebenedijd‘, ‘fröbelklas‘ en ‘fideel‘ willen na wat aandringen de rol wel op zich nemen. Met nieuwtaal lukt veel beter, hoewel de sukkelaar maar al te goed beseft dat hij enkel de meest populaire slang-woorden kent en dan nog van horen zeggen. Vaak bezigt jong geweld een straatlingo die hij enkel maar begrijpt bij gratie van allesweter Google, zoals ‘No Cap‘, ‘Cringe‘, ‘Skeer‘, ‘Faka‘, ‘Bruh‘ of ‘Rizz‘ (het zijn lettercombinaties die de piot elders niet zal gebruiken, belooft hij).

Tijdens het lezen van zijn oudere schrijfsels valt veel meer op dan enkel wijzigingen in spelling, woordkeuze en onderwerpen. De subtiele verglijdingen in onderliggende boodschappen, verborgen energie en context vallen nog het meest op. En het zijn precies dergelijke kleine, langzaam naderbij sluipende veranderingen die het gevaarlijkst zijn, zo leert de wereldgeschiedenis. Niet dat de piot de pretentie heeft zijn eigen zielig bestaan te vergelijken met toestanden en tendensen waarvan de historici keer op keer benadrukken dat ze uitmonden in oorlog, miserie en andere catastrofes. Al evenmin vreest de sukkelaar voor zijn leven omwille van zijn levensbeschouwing, integendeel.

Het uitpluizen de meest kostbare archiefstukken leert dat doorheen de tijd de schrijfstijl van de piot enerzijds meer frivool is geworden, maar anderzijds ook steeds meer militaire referenties bevat. Zo bijvoorbeeld bedacht hij in een ver en schijnbaar veilig verleden Mijn Groote Liefde met troetelnaampjes als ‘trut‘, ‘snelle mokke‘, ‘heksevel‘, ‘rosse‘ en ‘generaal‘. Na dat laatste epitheton is enkel ‘Mijn Groote Liefde‘ nog blijven plakken.

Terzelfdertijd merkt hij dat zijn schrijfsels steeds gedisciplineerder worden, en bespeurt hij in bewaarde randnotities en andere kattenbelletjes residuen van berispingen, reprimandes en andere terechtwijzingen, schijnbaar steeds uitgevaardigd door dezelfde ‘leidinggevende persoon’ (ja, het blijft eieren lopen). En toch: dezelfde krabbels suggereren dat de piot redelijk recent steeds meer de grenzen opzoekt van wat mag en kan, zonder dat zijn daden Mijn Groote Liefde bedroeven of erger: frustreren en kwaad maken. En als hij bij gelegenheid al eens een of andere bareel negeert en vervolgens onder zijn botten krijgt, houdt hij meestal het hoofd koel.

Of om het met zijn eigen woorden te zeggen: ‘Ik heb gelukkig ondertussen genoeg eelt gekweekt op mijn voetzolen‘.


Postscriptum: als het de rest van de maand stil blijft op deze site, is enige ongerustheid gepast.


Ontdek meer van Rik Wintein

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.