Laatst kreeg de piot een hooggewaardeerd compliment.
Aficionado’s weten het wel: de piot volgt schrijfles bij juf Marieke. De sukkelaar is er zich terdege van bewust dat hij geen perfecte pen heeft. Precies daarom trekt hij elke woensdagvoormiddag naar het Guido Gezelle-huis, niet om die kerel te imiteren (wat een idee!), maar precies om beter te doen, en vooral naast de schrijftafel.
Het onderricht van de schrijfjuf is tegelijk inspirerend en vermoeiend, verhelderend en frustrerend, en dus omwille van dit alles hoogst bevredigend. Inspirerend, omdat het de piot dwingt nieuwe paden te verkennen. Vermoeiend, omdat elke sessie zijn tanend concentratievermogen danig op de proef stelt. Verhelderend, omdat oude fouten in een nieuw licht baden. Frustrerend, omdat er altijd wel iets schort aan zijn teksten.
En dan komt de dag dat de schrijfjuf zegt: ‘Dit is goed.’ Van weeromstuit wil de piot in een minaret klauteren en de tijding rondbazuinen. Omdat Mijn Groote Liefde het geen goed plan vindt dat hij met al zijn artrose op het dak klimt, doet de sukkelaar het op de enige manier die haar gemoedsrust ontziet, omdat het resultaat meestal achter haar horizon ligt.
Wat volgt is een kortverhaal, waarbij de opdracht was: ‘Niet grappig. Geen blogstijl. De piot mag niet prominent aanwezig zijn. Maximaal 4 pagina’s.’
Sommige gewoontes veranderen nooit, al kan het einde anders zijn.
Na zijn ontbijt, een yoghourt met peer, een sneetje geroosterd brood met speculoospasta en een boterham met kaas, afgerond met een café latte, staat hij op, kust mij op het voorhoofd, neemt zijn jas en aktetas en stapt naar de voordeur: ‘Tot vanavond!’
‘Ja. Tot vanavond, bij leven en welzijn.’ Ditmaal vraag ik niet wat hij wil voor het avondeten. Hij let er niet op. Ik leg mijn lepel naast het volle bord muesli en staar naar de tuin, met mijn ellebogen op tafel en met mijn kin rustend om mijn gekruiste vingers.
Het gazon is aan maaien toe, waarmee in één beweging ook alle gespikkelde herfstbladeren zullen opgeruimd zijn. De druivelaar, de olijfboom en de vijgenboom kunnen een snoeibeurt gebruiken.
Het is tijd om te gaan.
Terwijl ik afruim, begint de hond nerveus heen en weer te rennen. Vanaf de ontbijttafel trippelt hij naar de kapstok in de inkomhal, tikt met zijn snuit tegen zijn leiband en komt dan terug in de keuken in de weg lopen. Ik negeer hem. Ik heb het beest niets meer te bieden. Hij druipt het af en nestelt zich in de zetel bij het raam, waar hij steeds zit als ik thuiskom.
Aan de voordeur aarzel ik. Dit herfstweer doet me twijfelen welke jas ik zal aantrekken. De weervrouw op de radio wist behalve een paraplu uit voorzorg ook niet precies wat uit de kast te halen: een regenjack, een trenchcoat of een winterjas. Ik kies voor het laatste, met een lichte vrees waarvan ik weet dat die wel zal overgaan.
Soms schaam ik mij om de keuzes die ik kan en mag maken. Nog maar enkele generaties geleden was daar geen sprake van. Naar verluidt was het leven eenvoudiger, simpeler en schraler, wat drie verschillende dingen zijn. Toen was het niet kiezen maar overleven. Vandaag zijn er geen keuzes maar opties.
Een gemis naar iets dat nooit geweest is, is zelden accuraat te portretteren. Hoe schets je iets dat nooit de kans kreeg te ontstaan?
Ook mijn gemis kan ik benoemen, maar niet beschrijven. Dat kon de ervaren oncoloog ook niet. Zoals het een goede slecht-nieuws-brenger past, zei hij meteen waar het op stond: ‘De kanker, en vooral de bijhorende behandeling zal je leven veranderen. De chemo- en de hormoontherapie maken je onvruchtbaar.’
De rest van het gesprek ging aan mij voorbij, verzonken in een uitdijende ruis. Gelukkig waren we met twee. De anatomische posters aan de muren van de kamer fluisterden verhalen die niet voor mij waren weggelegd. Zelf kon ik enkel denken aan dat ene. Ook nu nog.
Bij het afscheid had de dokter nog wat troostende woorden. ‘Dit is het einde,’ dacht ik, maar ik zei niks. Mijn wereld vertroebelde. ‘Dank u, dokter,’ zei hij. Ik voelde zijn arm om mijn schouders en liet mij door hem het dokterskabinet uitleiden. Later spraken we nooit meer over die dag.
De knoestige knotwilgen langs het wandelpad reiken voorlopig nog naar de hemel en verder. Binnenkort komen de werklieden de jeugdige takken en twijgen kappen, snoeien met het oog op een nieuw leven, een hernieuwd bestaan, al zijn hierna de bomen nooit nog dezelfde.
Een klamme ochtendmist kruipt uit het moerasland, drapeert zich op de omheiningen, de bomen en de struiken. Ook mijn favoriete houten bankje, twee dikke planken als zitting en drie latten als leuning, voelt vochtig aan. Ik ga zitten en kijk over de mij zo vertrouwde plas, die zich elke zomer weer kroont met gele en blauwe bloemen, maar die er nu vrij troosteloos bij ligt. Mijn dikke winterjas tempert de klamme kilte.
Aan de overkant van het water, waar het riet schraler is, struint een stoet gele hesjes voorbij. Allicht een kleuterklasje van het nabijgelegen schooltje, gegidst door de volwassen oranje hesjes voor en achter, op weg naar een nieuwe ervaring, een leermoment zoals beschreven in ingewikkelde leerplannen richting een steeds complexere wereld.
‘Wat heeft het nog zin…’
De flauwe weerkaatsing van mijn stem op het water doet me schrikken. Heb ik dat werkelijk luidop gezegd? Voorzichtig kijk ik in het rond. Alleen de natuur hoort mijn woorden. Alleen de natuur luistert en spiegelt mijn gedachten. Ik ben alleen.
‘Het heeft geen zin meer.’
Ik sta op. De ijskoude waterplanten knuffelen en kussen mijn hoofd en mijn hals, zoals alleen baby’s dat kunnen. Mijn winterjas is loodzwaar. En tegelijk vederlicht.
Bij deze.
Ontdek meer van Rik Wintein
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.