Een handvol ademteugen

Laatst bracht het Requiem van Verdi heel wat teweeg bij de arme piot. (*)

Het voornoemde opus was mij tot voor kort volslagen onbekend. Dat is niet langer zo. Sinds deze week schittert voornoemde Messa da Requiem in de Via Prosperità op onze klassementsloze compact disk-plank tussen “Ocharme Ik” van Flip Kowlier en een verzamel-album van Barry White (een zonde die ik Mijn Groote Liefde graag vergeef – dat van den Barry, niet van de ordeloze verzameling).

Familie, vrienden en kennissen vermoeden het, mijn gezin weet het zeker: muziek is mijn ding wel. Doorgaans definieert een toevallige passant mijn zwak en voorliefde voor toonkunst als “bizar“, “raar” en “knettergek“. Zelf geef ik de voorkeur aan de trefwoorden “eigenzinnig“, “eclectisch” en “breed“. Mijn cd-keuze liegt er niet om: in mijn digitale bibliotheek kunnen Neil Young, Rolling Stones, Miley Cyrus en Lady Gaga het best vinden met Mozart, Bach en andere Pergolesi‘s. Symfonieën, opera’s en kwartetten vloeien vlotjes over in madrigalen, cantates en suites, en krijgen heel vaak pop-deuntjes, blues-riffs en rockritmes op bezoek. De rode draad doorheen het hele spectrum is een passie voor het leven en de liefde.

Om dit heel lang verhaal kort te houden: voor elke situatie, bezigheid of emotie is er wel een pareltje die mij weet te beroeren.

Vaak is de huiskamer (zo Mijn Groote Liefde na haar dagtaak in de Factorij nog een streepje geduld rest) mijn intieme concertzaal voor rock, pop, klassiek en opera, en alles wat daar tussen ligt. Nog liever zoek ik locaties op die specifieke klankensoorten weten te sublimeren. Jazz hoort thuis in een kelder, een kroeg of een kroegenkelder. De beste voedingsbodem voor rock en pop is en blijft stevige podia in allerlei groottes en dieptes, al dan niet in zaal. Met klassiek ligt het subtieler. Strijkkwartetten, piano-solisten en aanverwante ensembles bloeien het mooist op intieme plekken zoals onder andere een huiskamer. Alleen al om de logistieke uitdagingen weerklinken symfonieën het meest doortastend in goed gestoffeerde schouwburgen (show-burchten?).

En dan zijn er de kathedralen. Er is geen beter decors dan een bakstenen bedehuis voor het opulentere oeuvre van Bach, Mozart en andere klassieke meesters. En ergens is dat ook logisch: bij het gros van die werken had de gefêteerde componist een misviering in het achterhoofd. Met het enthousiasme van een jong veulen omhels ik elke kans om in een kerkelijke omgeving mijn goddeloos wezen te vergeten in een Requiem, een Missa of enig ander religieus geïnspireerd chef d’oeuvre. Voor Mijn Groote Liefde is het al lang geen mysterie meer, hooguit een amusant feitje dat ze graag en met veel liefde in mijn gezicht gooit wanneer ik bij een occasionele babbel met vrome medemensen weer eens mijn ongelovigheid onderstreep met – ik geef het volhartig toe – satanisch sadisme.

Nogmaals: ja, ik hou van de goddelijk geïnspireerde juweeltjes van de oude toondichters, zeker als ze opgevoerd zijn onder een kerkgewelf. Hoewel ik met het grootst mogelijke geloof het Atheïsme belijd, geraak ik waarlijk in vervoering, zeg maar bijna in trance bij het aanhoren van Ordinaria in een duistere basiliek. Sommige zien daarin een religieuze, spirituele touché. Zij dwalen.

Mijn brein poneert terecht dat die zinnelijke ervaring simpelweg schatplichtig is aan het perfect samengaan van enerzijds schier volmaakte wiskunde verfijnd met verrassende gulden snedes en andere dissonanten, en anderzijds de delicate akoestiek van het zogenaamde godshuis. Wanneer het kader, de sfeer en de schoonheid van de toongedichten netjes samenvallen, voel ik mij precies daarom een handvol ademteugen één met het universum. Let wel: uiteindelijk geldt dat laatste niet enkel voor klassiek in kerken maar voor àlle muzieksoorten op alle denkbare plekken. En daar is het allemaal om te doen denk ik; vind ik.

Een stevige streep muzieknoten en een dot kruisen en bessen, afgewerkt met wat metrum en tempo, keurig samengeperst tot een juweeltje en gepresenteerd op een passend bedje, meer heb ik niet nodig. En daarbij maakt het niet uit of Johann Sebastian dan wel Stefani Joanne de edele kostbaarheid heeft neergepend.


(*) “Messa da Requiem” van Giuseppe Verdi door de Berliner Philharmoniker onder leiding van Herbert von Karajan met Mirella Freni, Christa Ludwig, Carlo Cossutta, Nicolai Ghiaurov en het Wiener Singverein. Met dank aan Marc Sierens.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.