Ongeduld

Laatst voelde de piot zich nogal kwakkelig.

Het is geen geheim en ik ben de laatste om het te ontkennen: er zit serieus wat sleet op dat lijf als een kathedraal van mij. Af en toe valt voegwerk van tussen de steeds poreuzere bakstenen en vertoont het stucwerk lelijke barsten. De ramen rammelen en de deuren knellen. Het schilderwerk bladdert af. Ook het gebinte en de fundamenten hebben hun beste tijd wel gehad.

Hoewel ik best weet dat het zo niet is, lijkt het alsof ik al heel mijn leven dagelijks cholesterolremmers en bloeddrukverlagers slik. Op advies van onder meer een hematoloog speurt een halfjaarlijkse bloedonderzoek minutieus naar foute eiwitten en ander tumormarkers. Een labo-verslag lees ik als een krant. Sommige dokters en specialisten spreek ik ondertussen met de voornaam aan. De jaarlijkse controle bij de uroloog start steevast met een babbel over motorrijden vooraleer de orde van de dag zich aandient.

Zoals dat gaat met oude knarren, karren en het weer, wisselen goede en kwade dagen elkaar af, alle nauwgezette zorgen en voornemens ten spijt. Gelukkig houden de periodes van welbehagen de bovenhand, vooral inzake duur en intensiteit.

Het komt wel eens voor dat ik mij niet zo lekker voel, zoals bijvoorbeeld eind vorige week. Zodra ik mijn ogen open, voel ik dat het een van “die” dagen is. Iets zit scheef, dat is overduidelijk, alleen kan ik er niet meteen mijn vinger op leggen. Na het dekken van de ontbijttafel en in afwachting van de Slaperige Intrede van Mijn Groote Liefde ga ik op zoek naar de mogelijke oorzaak.

Mijn borstkast trilt met een gewaarwording dat een beetje gelijkt op die momenten dat mijn hart geheel onschuldig (dixit mijn cardioloog) af en toe een slag mist. Toch is mijn polsslag heel regelmatig, zonder haperingen of lacunes. Doorheen mijn torso pulseert een soort nervositeit, als na het consumeren van een kan straffe Belgische koffie of een Franse Espresso. Dat is vreemd, want tegenwoordig omschrijven mijn huisgenoten mijn ochtend- en voormiddagkoffie als “slappe thee“, tenminste als ze vriendelijk blijven. Uit vrees voor pyrexie en hypertensie grijp ik naar digitale hulpmiddelen. Na de “bliep” staat er 36,5 op de display van de koortsthermometer. De bloeddrukmeter stagneert op de vertrouwde dertien over acht.

Op dit punt begin ik mij behoorlijk ellendig te voelen. Er scheelt iets, maar ik kan maar niet achterhalen wat. Meten is weten, wil de wetenschap, maar ditmaal vertellen alle fysieke indicatoren dat mijn lichaam netjes binnen de vertrouwde en gewenste parameters functioneert. En toch is er iets fout.

Na het ochtendlijk uitwuiven van Mijn Groote Liefde en het vervolgens opvolgen van de gangbare dienstbevelen, zoek ik mijn leeszetel op. Tot mijn grote ontstentenis is alle zalvende zaligheid uit mijn favoriete fauteuil verdwenen. De lonkende lectuur op het bijzettafeltje doet haar best maar kan mijn aandacht niet vatten. Een ijzige ellende glijdt als een kleverige goedje van de kruin van mijn hoofd over mijn gezicht, mijn borst en mijn buik tot aan mijn enkels.

Wat scheelt er met mij?

Gelukkig gaan mijn hersenen in survival-mode en schakelen ze naadloos over op koel en logisch redeneren. De hardware lijkt naar behoren te marcheren, dus allicht is alle onpasselijkheid toe te schrijven aan een mankement in de software. Iets in mijn hoofd besmet de rest van mijn lichaam.

Een voor een besnuffel ik mijn gedachten. Al snel blijkt dat heel wat vast zit in mijn kop. Enkele gesprekken voor het Covid19-contactopsporingscentrum zijn blijven hangen, de ene omdat de besmette dame een hoopje zieke droefheid is, de ander omdat de hoog-risico-contactpersoon de quarantaine-boodschap op een zieke scheldtirade onthaalt. Beide zijn maar een paar van de heftige verhalen die dit kwartaal op mijn bureaublad zijn geland. Het mooie weer van de voorbije dagen baart dromen van een motorreis naar La Provence, maar voorlopig houdt de Corona-pandemie de grenzen op slot. Dat het aan me vreet, weet zelfs Mijn Groote Liefde, al zit misschien mijn dagelijkse klaagzang daar voor iets tussen. En op mijn recentste vrije dag verheug ik mij om een winkelwandeling totdat ik besef dat alle horeca voorlopig synoniem is van take-a-way. Op slag is de goesting verdwenen en bestel ik het nodige via internet, een soort shoppen waarin ik ondertussen heel behendig ben.

Zijn die reflecties de oorzaak van mijn krankheid? Is dit dan de fameuze psychologische rammeling waarvoor geleerde koppen ons waarschuwen? Is dit de sluipende maar daarom niet minder toxische onderstroom van Covid19?

Alles wijst er op dat de beroerdheid effectief te herleiden is tot het woekerend wachten op betere tijden. Want zodra ik een perspectief op alle geselende gedachten plakt, ebt elk misselijkmakend sentiment weg. De beukende, kolkende stroom vol ijsschotsen verstilt tot een klaterende beekje in de lentezon. Op slag is me duidelijk dat mijn lijf en leden kwijnen in een hevig verlangen naar rust en respect, naar uitwaaieren op de motor en naar terrasjes-genot.

Ongeduld, of beter: Pandemie-ongeduld: ik moet ermee leren leven, net als met het chirurgisch mondmasker en de ontsmettingsgel. Want uiteindelijk komt het allemaal wel goed. Zo is het ons beloofd, én door de orakelende overheid, én door de bezorgde wetenschappers.

Per aspera ad astra.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.