Potloodventers

Laatst bracht een ochtendwandeling verrassende inzichten.

Met de expliciete goedkeuring van Mijn Groote Liefde escorteert de piot na het ontbijt Magnifieke Marcel naar het Felthem voor diens plas-&poep-ronde. De kortste weg naar dit favoriet stadsbos van de Via Prosperità leidt langs een school. Het weer suggereert anders, maar het is wel degelijk zomervakantie. Toch is het er druk. Ouders leveren hun kinderen over aan de hopelijk kundige zorgen van monitoren van zomerklassen en -kampen allerlei. Die gezellige drukte contrasteert schril met het steeds zenuwachtig tafereel op een ordinaire schooldag.

Een vader met gevolg stapt over het zebrapad naar de schoolpoort. De aanblik van Magnifieke Marcel verlamt zijn kroost.

Geen paniek,” sust de piot, terwijl hij de leiband aanhaalt. “Hij gaat niks doen.

Maar ik heb bang,” (sic) fluistert het meisje voor zich uit, terwijl ze de hand van haar papa zoekt. Ook haar broertje houdt een veilige afstand, hoewel de nieuwsgierigheid van zijn gezicht spat.

Je hoeft niet bang te zijn,” antwoordt de piot. “Eigenlijk mag je nooit schrik hebben van een hond. Je moet wel steeds opletten, en voorzichtig zijn, want het is en blijf een dier en die kunnen soms verrassend uit de hoek komen. Vooral als ze zich bedreigd voelen. Oppassen, dat wel. Schrik hebben: neen. En je moet tonen dat je de baas bent. Je mag nooit laten voelen dat je bang bent.”

De vader lacht schaapachtig naar zijn kinderen, die wat lijken te ontspannen. De piot besluit er nog een schepje bovenop te doen.

Alle speelse honden bijten, maar niet om je pijn te doen. Dat is eerder sabbelen om te proeven wie je bent. Dat doen puppies onderling ook veel.” Het jongetje luistert met grote ogen. “En als een hond stout is en toch wat harder bijt, dan mag je nooit je hand of je arm wegtrekken, want dan doe je jezelf pijn.

Eigenlijk is het een beetje zoals bij Harry Potter,” besluit de piot. “Je grootste vijand is schrik hebben, bang zijn.” De kinderen zijn nog veel te jong om die referentie te begrijpen en te plaatsen. In de ogen van de vader sprankelt een zweem van herkenning. Dan geeft Magnifieke Marcel met een ruk aan de leiband aan dat het Fethem wacht op zijn dringende boodschap.

Met het lommer van de loofbomen komt ook het gefilosofeer over het gesprekje (eigenlijk een monoloog). De piot gaat nadenken over schrik en bangigheid. Het duurt niet lang of zijn rondfladderende gedachten landen bij die inheemse terrorist die met gestolen oorlogswapens een wetenschapper met de dood bedreigd heeft. Ditmaal blijft de piot niet stilstaan bij zijn lafheid jegens gezin, familie en maatschappij. De reflectie focust zich op het onmiddellijk gevolg van de drieste handelingen van de gesjeesde soldaat.

In het brein van de piot tuimelt de ene vraag over de andere overpeinzing. Is schrik voor dergelijke individuen gerechtvaardigd? Is zonder zijn buitgemaakte oorlogswapens zo’n doorgedraaide kerel wel nog gevaarlijk? Het duurt even voor de in het rond stuiterende ideeën hun plekje vinden.

Iedereen is gevaarlijk, denkt de piot, in ieder is à la limite een potentiële moordenaar. Dat is de oermens die in ons verscholen zit, de neanderthaler die doodt om niet gedood te worden. Wat ons weerhoudt van dergelijke weerzinwekkende daden zijn niet enkel wetten en praktische bezwaren. Het zijn wel die specifieke zaken die van ons een aardig mens maken: waardigheid, eerbied en respect, telkens in de breedst mogelijk betekenis van die begrippen. Dat hoeft niet te verwonderen. Op basis van deze gekende principes besluiten we ferm om NIET als een dolleman te moorden, te branden en te plunderen. En mensen bang te maken.

Het verschil tussen een goed mens en een crimineel schuilt niet alleen in de daden maar ook in de gedachten. Wie een vergrijp zonder meer goedkeurt, maakt zich even schuldig als de misdadiger, de moordenaar of de terrorist zelf.

De piot huivert bij die laatste stelling: hij mist nuance. Waar ligt hier de grens tussen medeplicht en onschuld? Case na case defileert door zijn brein, zonder dat de aanzet tot een gefundeerd antwoord opduikt. Deze probleemstelling is voer voor denkers met een grotere motor, besluit de piot.

Waar zit dan het verschil tussen een goed mens en een gevaarlijk booswicht, vraagt de piot zich af. Het antwoord kent hij eigenlijk al van eerdere gesprekken met zichzelf. De spil is de ingesteldheid van het individu en zijn zelfkennis. Een beetje jezelf centraal stellen kan geen kwaad. Er is niks mis met een gezonde en beheerste portie egocentrisme, zolang het niet omslaat in genadeloos egoïsme en/of narcisme. Wanneer in het hoofd en het hart geen plaats meer is voor het algemeen belang, gaat het snel en radicaal helemaal fout. Alles staat en valt een gecultiveerd altruïsme. Enkel als de individu de maatschappij boven zichzelf stelt, kan de samenleving zorg dragen voor de enkeling. Dat weet elk weldenkend mens, zelfs al is hij geen Trekkie. Het gaat om de ingesteldheid, om wat zich afspeelt tussen oren en ogen.

Waardigheid, eerbied en respect, overpeinst de piot, het zit dus allemaal in het hoofd. Daarom ook moeten we niet zozeer schrik hebben van stoute jongens. Abusieve, mensonterende en exclusieve ideeën en principes zijn veel gevaarlijker, want ze zijn de bron van alle ellende. Daarvan is die arme dolgedraaide beroepsmilitair slechts één van de vele recente voorbeelden.

Al die foute flierefluiters zijn niet meer dan griezelige potloodventers die hun schraal en extremistisch gedachtengoed ontbloten.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.