Belletje

Laatst begroette een winkeldeur mij met fris geklepel. Dat was lang geleden.

De lokale kruidenier verbouwt zijn zaak. De pittoreske pergola voor de ingang is opgebroken. Zolang de bouwvakkers met hun truweel zwaaien, kom je er enkel in langs een blinde zijdeur. Volgens plan komt over twee gevels een stemmig hoekterras waar klanten na de aankoop van baguette, gokbiljetten of rookwaren aan bistrottafeltjes en bij een espresso kunnen keuvelen over de strapatsen van L’OM, de tiercé en moeder de vrouw. Zo gaat dat nu eenmaal diep in Le Midi.

Bij het binnenkomen verrast het belgerinkel mij volkomen. Ik vind het zo gezellig dat ik voor de fun de deur nogmaals open en dicht doe. Iemand (de winkelier, zijn koffiegezel of de werkman van de gemeente) heeft in de hoek van de deurlijst een springveer met een belletje gemonteerd. Het oogt ouderwets en het klinkt hemels. Bij het openen tikt de bovenkant van de deur tegen de klepel van het belletje. Een helder vrolijk tingeling is het resultaat.

Voorheen was het niet zo spannend. Meestal kom je de épicerie binnen langs de open vitrine en ruik je binnen aan de comptoir de verse meloenen die buiten onder de luifel zijn uitgestald (Le Midi, nietwaar). Maar zodra de temperatuur beneden de 20°C duikt – en het dus ijzig koud wordt – gooit de winkelier de deur dicht. Open of dicht, bij het binnenstappen klinkt vanuit een verborgen hoekje een futloze maar o zo vertrouwelijke en duidelijk digitale Ding-Dang-Dong. Dezelfde steriele begroeting als in miljoenen andere winkels, wanneer je voorbij een bewegingsdetector stapt.

De winkelier herkent mij, dat zie ik aan zijn oogopslag. Het is nu ook al lang niet de eerste keer dat ik in zijn zaak voor het nakend ontbijt “un pain et trois croissants” kom halen. Kraakvers, dat spreekt. En toch behandelt hij mij – zoals het een echte Provençaal past – als een haveloze zwerver die het rustig voortkabbelen van zijn dag komt verpesten. Omdat dàt zijn missie is.

De Provençaal houdt van toerisme en de bijhorende valuta, maar niet van de toerist tout court, vooral niet tijdens de hete zomermaanden. De herfst heeft een paar mistrals geleden de zomer opzij geduwd, dus zoveel étrangers lopen hier niet meer rond. Maar ze zijn er nog: verstandige lieden die de grote toeristische drukte en de daarbij opduikende toeristenvallen ontwijken door in het najaar of het voorjaar (en Mon Dieu wat is het hier mooi in de winter) naar hier af te zakken om te genieten van de zon, de architectuur en le terroir. Ikzelf kom hier in alle seizoenen, en doe al het mogelijke om geen toeristen-dingen te doen. (Mijn Groote Liefde heeft het er nog steeds moeilijk mee als ik Nederlands-onkunde veins en ‘Dhollanders’ van repliek dien in de taal van Molière). Ondanks mijn keurig Frans doorspekt met de nodige Provençaalse idiomen blijf ik gebrandmerkt als een vreemde (snuiter?).

Op de comptoir verontschuldigt een briefje zich voor het ongemak tijdens de werken. Om de pijn wat te temperen toont een bijhorende schets hoe de épicerie binnen enkel maanden erbij zal liggen. Het wordt prachtig. Binnenkort zal het meer dan ooit een plezier zijn om hier boodschappen te doen. Dat zeg ik ook aan de kruidenier. Zijn respons heeft de warmte van een polaire Mistral: “Oui. Merci.”

Terwijl de kruidenier mijn bestelling bijeen pakt breng ik het heerlijk belletje ter sprake. Hoe ik hoop dat het een plaats zal vinden in de vernieuwde winkel. Hoe schattig en vertederend ik het getingel wel vind. Hoe dat mechanisch kleinood zoveel mooier is dan een elektrische schel of zoemer. Hij haalt zijn schouders op.

Mijn enthousiasme kan wel wat verdragen. (Dat overvalt me wel meer als ik in de Provence ben). Dus duw ik nog even door. In mijn efficiëntste Frans herhaal ik mijn hoop dat het belletje de verbouwing zal overleven. Weer haalt de kruidenier de schouders op, nu met een diepe zucht. Hij denkt van niet, zegt hij. Want het belletje rinkelt enkel als de deur opengaat, niet als er iemand binnenkomt. En dat is link. Als de vitrine open is, moet hij weten als iemand binnenkomt, want dan is het een zaak om zo snel als mogelijk achter zijn comptoir te staan. Is dat niet het geval, zal er zoveel uit de rekken verdwijnen, dat hij de boeken kan sluiten. Het belletje is een tijdelijke oplossing. Voor de veiligheid zal hij het oude systeem behouden, besluit hij.

Dat is de diepdroevige realiteit: het onpersoonlijk elektronisch oog is de eerste verdediging van de kruidenier (en bij uitbreiding al zijn collega’s) tegen stoute mensen met slechte intenties. En dat is intriest. Want wat is er overgebleven van die elementaire beleefdheid, dat je niet raakt aan wat (nog) niet je eigendom is.

Tijdens de wandeling naar het huisje blijft dat laatste natrillen. Ooit was de deurbel een service die de winkelier aan zijn klanten biedt zodat deze hun aanwezigheid kunnen melden. Ook dat is een elementaire beleefdheid. En het deurbelletje heeft nog een streepje voor op de onpersoonlijke zoemer: het is een persoonlijke groet. De bezoeker kan het geklingel beïnvloeden. Het kan hard of zacht, snel of traag klinken, naargelang de manier waarop de deur open en dicht gaat. Menselijker kan een bel niet klinken.

Maar dat alles kan niet meer: slechte mensen hebben ook dit simpel geluk gestolen. En ik voel dat er niet genoeg charmante deurbelletjes zijn op die trieste gedachte weg te klepelen.

Een gedachte over “Belletje

  1. Pingback: Espadrilles | Rik Wintein

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.