Gregoriaans

Laatst was ik present op een kerkelijke uitvaart.

Het is allesbehalve een geheim – om het beleefd uit te drukken – dat een kerk niet tot mijn natuurlijke biotoop behoort. Behalve occasionele visitaties op zoek naar specifieke culturele en/of artistieke schoon, betreed ik vrijwel nooit dergelijke instelling. (Ooit al eens het Requiem van Mozart onder gotische gewelven aanhoort? Of een Missa Brevis van Bach? Ik kan het je aanraden).

Enige grote exceptie is mijn aanwezigheid (al dan niet op uitnodiging) op begankenissen, want daar maak ik een punt van. Sommigen aanzien dit streven als een knieval voor het katholieke geloof. Zij dwalen. Net als zij gruwelijk fout zijn over de betekenis van een begrafenis-rite (en bij uitbreiding van elk met decorum beladen gebeurtenis-viering).

Een lijkplechtigheid is geen afscheid van een overledene. Elke rituele dienst – van welke belijdenis ook – is weinig meer dan een handige tool om een bepaalde gebeurtenis (dood, huwelijk, geboorte) een plaats te geven in ons leven. Zo ook met een begankenis. Het is een therapeutisch middel voor de rouwenden, zodat zij de dood het nodige weerwerk kunnen bieden. Dat we daarbij ook eventuele nabestaanden op een georkestreerde manier ons medeleven kunnen betuigen, is natuurlijk handig en mooi meegenomen.

Maar we dwalen af: ik ben present op de kerkelijke begrafenis van Daniel. De doodsbrief maakt melding van een liturgische plechtigheid in de lokale kerk met na afloop de mogelijkheid tot begroeting van de familie, waarna een crematie met asverstrooiing volgt.

Net op het moment dat de lijkbidders de kist de kerk binnendragen, verschijnt vanuit de sacristie een priester, gevolgd door een tros heren van stand, de ene al grijzer dan de andere, allen gehuld in een wit opperkleed. Dat zijn wel heel veel misdienaars, en bovendien niet van de jongste ook, bedenk ik oneerbiedig terwijl de voorganger aan de kist een verwelkoming declameert.

Plots heffen de witte pijen een lied aan en begeleiden in stoet de overledene tot voor het altaar. Nog voor de eerste Latijnse volzin uitgezongen is, weet ik het weer. Naast wiskunde heeft Daniel nog een aantal passies, waaronder zingen in een gregoriaans koor. En dat blijkt. Zijn zangbroeders vergezellen hem op gepaste wijze doorheen de liturgische dienst en ze doen dat zeer goed.

De gregoriaanse hymnen beroeren en vervoeren mijn brein. De uitgesponnen klinkers versmelten in mijn hersenen tot succulente overpeinzingen. Over hoe de stem nog steeds het mooiste instrument is. Over hoe een wiskundig perfecte harmonie een contrapunt sublimeert. Over hoe mensen steeds weer troost zoeken en vinden in schoonheid. Over hoe de betere klassieke componisten met hun religieus werk eeuwen later nog steeds geesten louteren. Aloë vera voor de ziel, als het ware.

Op het einde van de dienst escorteren de koorgezellen met een ultiem gregoriaans zangstuk Daniel naar het kerkportaal, keren om en verdwijnen vervolgens – nog steeds zingend – in de sacristie.

Na het begroeten van de rouwende familie stappen Mijn Groote Liefde en ik terug naar de wagen. “Dat was een zeer mooie dienst. Ik houd wel van gezongen missen.” beken ik zonder schroom.

“Ja, dat was wel heel mooi,” beaamt Zij. En dan komt het: “Weet je, ik vraag me af – je hebt nu toch de tijd – of dat niks voor jou is, zingen in zo’n gregoriaans koor.”

Verbijstering tackelt mij ongenadig en de rijhuisgevel op mij rechterhand houdt me overeind.

En ik ben haar nog steeds een antwoord schuldig.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.